Fragmenten

Nepal - De kleine piramide (fragment p. 26)

‘Plotseling ontstaat er vlak onder de kam een scheur in het sneeuwdek. Het is alsof een onregelmatig gekarteld mes bliksemsnel van rechts naar links een snee trekt door de witte wereld. De sneeuw schuift los en komt met een bloedvaart op me af. Instinctief wentel ik om mijn as, gooi mijn benen in de lucht en voordat ik het weet suis ik in een lawine naar beneden. Mijn bewustzijn vernauwt zich in een ommezien tot grote intensiteit, alsof iedere milliseconde zich vertraagt en oprekt. Elk detail van het landschap vergroot zich en brandt zich in mijn geheugen. Even lijkt het alsof ik een spectrum waarneem van driehonderdzestig graden en mijn leven in een flits aan me voorbijtrekt. Het is een moment van ongekende acceleratie en luciditeit. Iedere vezel in mijn lichaam beseft dat het bestaan hier balanceert op de grens van leven en dood.  

 

Dan zit ik stil in de sneeuw. Het heeft niet meer dan een paar seconden geduurd. Het lijkt een eeuwigheid. Wankelend sta ik op en kijk omhoog naar de helling waar ik vanaf ben gegleden. Ze ligt er vredig en ongeschonden bij. Er is alleen een lichte vertekening in kleur zichtbaar ter hoogte van de breuklijn.’

 

Mongolië – Sporen naar de horizon (fragment p. 74)

‘In de beschutting van de berg slaan we ons kamp op en de rest van de middag kijk ik uit over de steppe. De glooiende grasvlakte vloeit aan de horizon over in een geleidelijk oplopend reliëf dat gehuld is in een waas van paarse en lila-grijze kleuren. Witte schapenwolken werpen hun schaduwen vooruit die als inktvlekken over het land trekken. Gepolijste rotsformaties zweven als eilanden in het lege niets. Skeletresten van dieren liggen verspreid in het gras. In de verte zie ik de witte speldenknop van een ger.

 

Naarmate de tijd verstrijkt, raakt mijn waarneming steeds meer afgestemd op het ritme van de steppe. Er verschijnt een kudde paarden vanachter een heuvel, er stijgt een gier op van zijn nest, er ontstaat een stofwolk in de verte, er trekt een herder met zijn geiten voorbij. Iedere gebeurtenis voltrekt zich in een rustig, gestaag tempo en krijgt daardoor een waarde op zichzelf.

 

Op een vreemde, onherleidbare manier heb ik het gevoel dat ik dit landschap ken. Niet letterlijk, maar ingegeven door een immanent bewustzijn. Het is alsof ik opgenomen word door de schoot van Moeder Aarde en herinnerd word aan iets uit een ver verleden. Iets dat diep verborgen ligt in mijn genen en teruggrijpt op de oorsprong der dingen en de beginselen van het bestaan.’

 

 
 

‘Zodra ik het duister instap, loop ik vrijwel meteen tegen een muur op. Mijn hand zoekt naar een leidraad en vindt een ruw touw dat naar links voert. In de gang hangt de geur van pas gelakt hout. De stilte is zo intens dat ik mijn hartslag meen te kunnen horen. Voorzichtig zet ik een voet vooruit en als ik merk dat de duisternis hier geen onverwacht obstakel verhult, schuifel ik langzaam verder.

 

Na enkele bochten en passages rechtdoor kom ik uit in een ruimte met een mysterieus beeld: in de duisternis zweeft, aangelicht door een lichtstraal uit het dak, een ronde steen met een uitgekerfd teken. Ireen, die mij voor is gegaan, legt haar hand op de rand van de steen en doet in stilte een wens. Het teken symboliseert Bosatsu, de steen markeert haar baarmoeder en het licht in de duisternis is een voorbode van onze hergeboorte. Naar verluidt is het een plek waar wensen worden verhoord. Het is de bedoeling dat we de steen drie keer om zijn as draaien voordat we een wens uitspreken, maar het beeld – in zachtgeel licht zwevend in de duisternis – is zo magisch dat we het onaangeroerd laten.

 

Als we de tocht door de donkere gang vervolgen, brandt het teken na op mijn netvlies. Uiteindelijk leidt het touw via een trap omhoog naar een opening van licht. Bij de bovenste trede staat een Japanner die onze schoenen aanreikt. Hij maakt een buiging en deelt ons glimlachend mee: ‘Vanaf nu zijn jullie opnieuw geboren!’’

 

Japan – Wensbogen en jammerklachten (fragment p. 97)

De vrouw fabriceert een huttenpas en rekent de kaart af.

‘Heeft u warme kleren bij u?’ vraagt ze, terwijl we ons omdraaien om te vertrekken.

‘Natuurlijk, hoezo?’

‘Heeft u eten mee?’

‘Uiteraard.’

‘Schoenen?’

‘Wat denkt u…?’

‘Een stok?’

Deze vrouw staat ons serieus te overhoren over onze uitrusting.

‘Heeft u een aansteker bij u?’

‘Nee, we roken niet.’

‘Een fluitje?’

‘Waarvoor?’

‘Voor als u in nood verkeert.’

‘Lijkt me overbodig na al deze maatregelen.’

‘Absoluut noodzakelijk!’ zegt ze, ‘anders kunnen we u niet lokaliseren.’

De vrouw rommelt wat in een laatje en legt drie fluitjes op de balie: een zwarte, een groene en een blauwe.

‘Sorry,’ zeg ik, ‘ik blaas principieel alleen op rode fluitjes.’

‘Alleen op rode fluitjes…? We verkopen geen rode fluitjes.’

‘Jammer, dan kunt u ons niet lokaliseren.’

Voor het eerst lach ik haar vriendelijk toe.

‘Maar…’ sputtert ze nog tegen.

‘Helaas,’ zeg ik, ‘ik vind het ook heel spijtig, maar het is niet anders!’

We vertrekken en laten de vrouw hoofdschuddend achter.

 

Nieuw-Zeeland – Zandvliegen in het paradijs (fragment p. 134)

‘Een tocht door het Santa Catalina klooster bij avondlicht is een haast louterende ervaring. Het doet me beseffen dat er een belofte gelegen is in het je terugtrekken uit de wereld, dat het de moeite waard kan zijn je te wijden aan de schoonheid en het vervolmaken van je innerlijk, en dat er een grote kracht schuilgaat in de beperking van de eenvoud.

 

Iets na sluitingstijd vinden we elkaar terug bij het hek van de uitgang. We worden uitgeleide gedaan door een figuur in een zwarte mantel wier gezicht we onder de overhangende kap nauwelijks kunnen onderscheiden. Zodra we buiten staan, loopt de non geruisloos over de patio en verdwijnt door een donkere poort naar het noorden.

 

Ook wij lopen langs de muren van het klooster in diezelfde richting, maar nu aan de zijde van de stad. De vulkaan El Misti rijst in de weerschijn van de sterrenhemel op als een spookachtige beschermengel boven de bebouwing. Achter de deuren van de kroegen bruist het nachtleven. We zouden deze ervaring natuurlijk kunnen vieren in één van deze etablissementen. Arequipa lonkt, maar we zien ervan af. In stilte lopen we door en dwalen, niet veel later, in onze dromen verder door het stilleven van onze herinnering.’

 

Peru - Maagdelijke avonturen (fragment p. 200)

Bolivia – De stenen boom (fragment p. 218)

‘De stilte is volmaakt. Niets beweegt. Het panorama om ons heen lijkt bevroren in een zuivere, kristallijne toestand die nog niet is aangeraakt door het verval en de tijd. De lucht is staalblauw en tegelijkertijd ondefinieerbaar licht. Het meer voor ons lijkt van kwikzilver. Het water is doorzichtig, en toch wekt het de indruk een vaste stof te zijn. Pedro vertelt dat het effect veroorzaakt wordt door het mineraal borax, een wit poeder dat op de bodem ligt en gedeeltelijk is opgelost. Het rimpelloze oppervlak weerkaatst de glooiende lijnen van de lilakleurige vulkanen zo feilloos dat de zintuigen ervan in de war raken. Langs de rand van het meer ligt een witte korrelkorst waaruit plukken ambergeel helmgras opspruiten. Door het oeverwater slingert een algenstructuur, als een pointillistische schimmel die voortwoekert op canvas.’

 

Peru - De verloren stad  (fragment p. 246 - 247)

‘In het westen werpt de late middagzon zijn laatste stralen over de stad. Onder de inktzwarte wolken in het oosten blinken de schuin aangelichte bouwwerken als waren ze van goud.

 

Dan wordt het complex gehuld in een onheilspellend licht. Het lijkt op de vreemde, ongrijpbare schemering die je ziet bij een zonsverduistering. Uit allerlei hoeken en spleten van de stad komen dieren naar buiten gekropen. Vizcachas, hagedissen, vogels – op de grasvelden zie ik zelfs een paar lama’s en een hond lopen.

Volgens oude overleveringen en hedendaagse strips kan men de oude zonnecultuur niet ongestraft bezoeken. Het leidt tot vervloekingen, helse pijnen en ongeneeslijke ziektes. In het ergste geval zelfs tot het einde van de wereld. Doorgaans is er maar één remedie: een offer. Maar beschikken wij nog wel over de rites om dergelijk onheil af te wenden?

 

Zodra we de stad verlaten, voelen we de eerste regendruppels. In de verte likt een bliksemschicht aan de bergtoppen. Dan breekt de hemel open en stort zijn inhoud over ons uit. De natuur eist aan het eind van de dag het alleenrecht terug over de stad. Ik stel me voor dat ze in het holst van de nacht weer overwoekerd raakt met vegetatie. Zoals het was in de oude tijden, voor haar ontdekking – een verloren stad, in mistflarden gehuld en enkel beschenen door een koele maan.’

New York – Epiloog (fragment p. 277 - 278)

‘De volgende ochtend lopen we door Harlem. We komen net uit een kerk waar we te gast zijn geweest bij een gospeldienst. Niet dat we zo religieus zijn, maar de manier waarop de zwarte bevolking hier uitdrukking geeft aan haar geloof is een fenomeen en een voortreffelijk recept om het jaar in de juiste stemming te beginnen.

 

Geen bedeesde gezangen op zwaarmoedige orgelmuziek hier, maar liederen die uit volle borst worden gezongen en die zo geweldig swingen dat je bloed er bijkans van gaat koken. Geen stoffige voorganger met een preek waar je je doorheen moet worstelen, maar een priester die de kansel bestijgt als ware het een redenaarstoren en een strijdros ineen. Een man die een verhaal vertelt waar de vonken vanaf vliegen, die vragen over zijn publiek uitstrooit, die mensen aanspreekt, die grappen maakt, die zelf vaak dubbel ligt van het lachten – kortom een man die niet toespreekt, maar deelgenoot maakt.

 

Terwijl we teruglopen richting Cenral Park, beginnen we spontaan te filosoferen over hoe het zou zijn om in New York te wonen. Dat we dan iedere zondag misschien wel naar zo’n gospeldienst zouden gaan, gewoon vanwege het theater en het plezier dat van zo’n bijeenkomst afspat.

 

Het is mooi en zonnig weer en we worden door de mensen op straat vriendelijk gegroet. We lopen door het noordelijke gedeelte van Central Park, langs de schaapsweiden, het Jaqueline Kennedy meer en het Metropolitan Museum of Art. Ergens halverwege het park gaan we op een bankje zitten. We zien joggers voorbijkomen, mensen die kinderwagens voortduwen en bejaarden die genieten van de zon. We horen het gefluit van de vogels, het geroffel van een tablaspeler op de achtergrond en het geroezemoes van mensen die om ons heen in het gras liggen. Het is een echte Nieuwjaarsdag, waarin de tijd niet voor- of achteruit gaat en stil lijkt te staan in een eeuwigdurend ogenblik.

 

Morgen eindigt onze reis en vliegen we terug naar huis. Onze ogen kruisen elkaar even. Het is een luttel moment van verstandhouding, spontaan en toevallig, zoals dat alleen plaatsvindt tussen mensen die elkaar heel goed kennen en begrijpen zonder woorden. We raden elkaars gedachten. Zonder dat we het hoeven uit te spreken, weten we dat we al zijn aangekomen.’